Saxofoonmondstuk kiezen: tipopening, kamer, materiaal en wanneer je upgradet

Een nieuw saxofoonmondstuk is de goedkoopste manier om een andere saxofonist te worden, en tegelijk de makkelijkste manier om geld weg te gooien. Tipopening, kamer en baffle doen elk iets anders met je klank, en het materiaal doet minder dan je misschien denkt.

Wat de tipopening met je spel doet

De tipopening is de afstand tussen het riet en de punt van het mondstuk. Zo minuscuul als die spleet is, zo bepalend is hij voor hoe het mondstuk aanvoelt. Hij bepaalt hoeveel lucht je de kamer in kunt blazen en hoe ver het riet uitslaat. Een kleine opening geeft snel een toon, een grote opening vraagt meer controle en geeft meer ruimte om je toon te buigen en te laten groeien.

Ik vergelijk het graag met een kraan. Een dun straaltje heb je meteen onder controle, een wijdopen kraan spettert alle kanten op tot je leert doseren. Daarom zit op het mondstuk dat met een instapsax meekomt vaak een bescheiden opening, met een laag cijfer zoals een 4 erop. Dit is omdat het je toon laat spreken terwijl je embouchure nog moet groeien.

De tipopening hangt samen met de facing: de doorlopende curve vanaf het punt waar het riet van de tafel loskomt tot aan de tiprail. Die curve verschilt per merk en bepaalt de weerstand en hoe het mondstuk reageert in de verschillende registers. Hij bepaalt ook welk riet erbij past: een grotere opening vraagt doorgaans een zachter riet, een kleinere een steviger riet. Wissel je van mondstuk, dan moet je dus ook kijken of je rieten nog passend zijn.

» Bekijk alle saxofoonrieten
» Bekijk alle saxofoonmondstukken

Saxofoonmondstuk kiezen: tipopening, kamer, materiaal en wanneer je upgradet
De delen van een saxofoonmondstuk (bron: Vandoren Paris – vandoren.fr/en/mouthpieces-technical-elements)

Kamer en baffle: waar helderheid vandaan komt

Het binnenwerk van het mondstuk bepaalt vooral hoe helder, luid en doordringend je klinkt. Twee onderdelen wegen daarbij het zwaarst: de baffle is de wand direct achter de punt, waar je lucht als eerste tegenaan blaast, en de kamer is de holte daarachter, voordat de lucht de hals van je sax in gaat. Hoe die twee gevormd zijn, hoor je achter in de zaal pas, in zekere zin.

De vuistregel: een hoge baffle en een kleine kamer maken de klank helderder en meestal luider, met meer projectie. Een lage baffle en een grote kamer maken hem donkerder en ronder, maar hij draagt minder ver. Het is het verschil tussen praten in een betegelde badkamer en in een woonkamer vol gordijnen en kussens: dezelfde stem, een heel ander resultaat.

De kamergrootte kun je zelf inschatten. Kijk in het mondstuk: is de holte in het midden wijder dan de boring (het deel dat over de kurk van de hals schuift), dan heb je een grote kamer. Zijn ze even wijd, dan is het een medium kamer. Moet jazz altijd uit een grote kamer komen en pop uit een hoge baffle? Ik vind van niet. Maar het verklaart wel waarom het ene mondstuk ‘vintage’ klinkt en het andere ‘modern’.

Ebonite of metaal: minder verschil dan de glans belooft

Ebonite, oftewel hard rubber, is latex van een boom, gemengd met zwavel. Metaal glanst, voelt zwaarder en wordt gevoelsmatig in de hoek van rock en funk gezet. Dat beeld klopt maar half. Helderheid en volume komen uit de baffle, de kamer en de zijwanden, dus niet uit het materiaal eromheen. Er bestaan dan ook gewoon donkere, zachte metalen mondstukken en felle, luide ebonieten.

Het echte verschil zit in je mond. Metaal is dichter en zwaarder, dus een metalen mondstuk kan dunner en kleiner worden gemaakt. Een ebonieten mondstuk is bijna altijd dikker en vraagt dat je je mond verder opent. Voor de een voelt dat als een volle, stabiele greep, voor de ander als een hap die te groot is. Dat comfort is, veel meer dan de klank, de reden om voor het ene of het andere te kiezen. En dat voel je alleen door te spelen.

Saxofoonmondstuk kiezen: tipopening, kamer, materiaal en wanneer je upgradet
De tipopening van een saxofoonmondstuk (bron: Vandoren Paris – vandoren.fr/en/mouthpieces-technical-elements)

Onderhoud en levensduur van je mondstuk

Ebonite is zacht genoeg om door een mondstukbouwer te worden bijgewerkt, en precies daarom slijt en vervormt het ook sneller dan metaal. Een metalen mondstuk houdt het langer vol en raakt minder snel beschadigd. Beide zijn kwetsbaar aan de punt en de rails: één tik tegen een lessenaar en de facing is niet meer wat hij was. Een kap is daarom geen luxe.

Hard rubber heeft nog een eigenaardigheid: het houdt niet van zon en warmte. Laat je het op de vensterbank liggen of spoel je het af met warm water, dan verkleurt het naar groen of bruin, gaat het ruiken en kan het kromtrekken. Dat zwavelige geurtje van een oud mondstuk ken je misschien. Reinig ebonite dus met koud water en milde zeep, en berg het op in de koffer, uit het licht.

» Bekijk alle rietbinders & caps

Wanneer wissel je van je eerste mondstuk?

Op die vraag krijg je zelden een onderbouwd antwoord, en ik ga er ook geen bepaald aantal jaar op plakken. Het mondstuk dat met je sax meekwam, is gemaakt om je zonder gevecht aan het spelen te krijgen. Zolang je toon nog zwabbert en je nog elke les iets nieuws over je ademsteun leert, lost een ander mondstuk niets op. Je verplaatst dan alleen het probleem.

Het kantelpunt herken je aan een ander soort klacht. Niet ‘het lukt niet’, maar ‘het klinkt niet zoals ik wil’. Je hoort bijvoorbeeld op een opname dat je kleiner klinkt dan je dacht, of je zoekt een klank die dit mondstuk simpelweg niet in zich heeft. Dat is het moment om te gaan proberen, liefst met je docent ernaast.

Een stap in tipopening moet echt een stap zijn, geen sprong. Als je van een kleine opening meteen naar het grootste model gaat, krijg je een mondstuk dat meer adem vraagt dan je hebt. Pak liever één maat groter en geef het een paar weken.

Saxofoonmondstuk kiezen: tipopening, kamer, materiaal en wanneer je upgradet

Zo probeer je mondstukken uit

Uiteindelijk koop je mondstukken niet op een beschrijving. Je moet het ervaren. Ga je bij iemand eens een ander mondstuk proberen, gebruik dan wel je eigen sax, rietbinder en rieten, zodat alleen het mondstuk verandert. Speel op elk mondstuk hetzelfde: een paar lange tonen, iets in het lage register, iets hoog, en een melodie die je uit je hoofd kent.

Vertrouw daarbij niet op je eigen oren alleen. Door botgeleiding klinkt je toon in je hoofd anders dan voor het publiek, en een kleinere mondopening geeft jou het gevoel dat je helderder en luider speelt dan de zaal opvangt. Neem je saxofoonspel op met een goede kwaliteit audiorecorder (niet je telefoon) op een paar meter afstand, of vraag iemand om mee te luisteren die een goed oor heeft.

En… kies niet op de eerste indruk. Het mondstuk dat meteen lekker voelt, is vaak het mondstuk dat het dichtst bij je oude zit.

» Bekijk alle blaasinstrument-onderhoudsmiddelen

Geen reacties

Nog geen reacties...

Laat een reactie achter