Kleinmembraan of grootmembraan condensatormicrofoon: dit is het verschil

Grootmembraan of kleinmembraan: het is de eerste keuze als je een condensatormicrofoon zoekt. De dikke ‘zijkantmic’ en het ‘dunne potlood’ werken op dezelfde manier, maar het membraanformaat bepaalt waar ze goed in zijn. Het grote membraan vangt zachte bronnen beter en klinkt wat voller in het laag; het kleine is beter voor geluid van opzij en in stereo. Al scheelt het minder dan je denkt.

Welke moet je kopen?

Neem je vooral zang op, dan ligt een grootmembraan voor de hand. Niet voor niets is het de populaire studiozangmicrofoon: de hoge gevoeligheid en het volle laag passen bij een stem die recht voor de mic staat, zodat de off-axis-nadelen nauwelijks meespelen. Voor een gitaarcabinet geldt hetzelfde.

Neem je akoestische instrumenten op, of wil je in stereo werken, kies dan een kleinmembraan, het liefst meteen een gematcht paar.

Kun je niet kiezen? Dan is één grootmembraan plus een paar kleinmembranen de klassieke start van een thuisstudio. Met die drie kom je verrassend ver.

» Doe de Interactieve Keuzehulp Studiomicrofoon
» Bekijk alle studio-condensatormicrofoons
» Drums opnemen: een vak apart

Kleinmembraan of grootmembraan condensatormicrofoon: dit is het verschil

Dik en van opzij, of dun en recht vooruit

Een grootmembraan-condensatormicrofoon is een forse cilinder die rechtop in een shockmount hangt en waar je van de zijkant in zingt: side-address.

Een kleinmembraan is een potlood dat je recht op de bron richt, met het membraan aan het uiteinde van de buis: end-address. Vandaar de bijnaam pencil mic.

‘Groot’ in grootmembraan betekent een membraan van ongeveer een inch, zo’n 2,5 cm, of meer. Dat membraan is een velletje folie van een paar duizendste millimeter dik Mylar met een flinterdun laagje goud. Het staat zo strak gespannen als een trommelvel en heeft, net als een trommel, een eigen resonantietoon. De ontwerper dempt die weg, maar waar hij ligt hangt af van het formaat. En precies daar beginnen de klankverschillen.

» Het verschil tussen dynamische en condensator-microfoons
» Bekijk alle grootmembraan-microfoons
» Bekijk alle kleinmembraan-microfoons

Gevoeligheid en laag: hier scoort het grote membraan

Een groter membraan vangt meer lucht en levert bij dezelfde geluidsdruk meer signaal af, zoals een groter zonnepaneel bij hetzelfde zonlicht meer stroom geeft. Een grootmembraan heeft daardoor een hogere gevoeligheid en een betere signaal-ruisverhouding. Een fluisterende zanger of een koor achter in de kerk neem je ermee op zonder de gain tot het randje open te draaien. Een kleinmembraan ruist in zulke situaties net iets eerder hoorbaar mee.

Dan het laag. Een groot membraan heeft een lagere resonantiefrequentie dan een klein, en een (gerichte) grootmembraan geeft daardoor doorgaans wat dieper en voller laag weer. In de praktijk merk je dat doordat je een kleinmembraan iets dichterbij moet zetten om dezelfde ‘onderkant’ te krijgen. Let wel: bij microfoons is de membraangrootte veel minder bepalend dan bij luidsprekers. Dit is geen woofer tegenover een tweeter.

Bovenstaande geldt overigens alleen voor gerichte capsules, zoals een nierkarakteristiek. Een omnidirectionele microfoon registreert kleine drukverschillen en doet dat met een groot én een klein membraan in principe even goed. De ondergrens zit daar in een piepklein ventilatiegaatje dat het membraan beschermt tegen schommelingen in de luchtdruk, niet in het formaat. Een omni-potloodje levert dus niets in ten opzichte van een omni-grootmembraan.

» Microfoons: afstand en het proximity-effect – Zo zit dat

Kleinmembraan of grootmembraan condensatormicrofoon: dit is het verschil

Van opzij en in stereo: hier wint het potlood

Geluid komt zelden alleen recht van voren. Een gitarist beweegt, een koor staat breed, de kamer kaatst terug. Hoe een microfoon klinkt voor geluid van schuin opzij is daarom minstens zo belangrijk als de klank recht ervoor, en hier is het kleine membraan in het voordeel.

Een hoge toon die van opzij invalt, bereikt een groot membraan niet overal tegelijk: het raakt de ene rand eerder dan de andere. Die faseverschillen doven hoge frequenties deels uit bij een grootmembraanmicrofoon. Een klein membraan is simpelweg te klein om daar veel last van te hebben. Daardoor klinkt geluid van opzij bij een kleinmembraan natuurlijker en minder dof en blijft de nierkarakteristiek netter over het hele frequentiegebied.

Dan is er nog de behuizing. De capsule van een grootmembraan zit in een forse grille om hem te beschermen tegen tegen stof en stoten, maar al dat metaal kaatst wel geluid terug en kleurt daarmee de klank en richtingskarakteristiek. Fabrikanten steken veel moeite in het beperken van dat effect, maar het blijft toch een noodzakelijk kwaad. Bij een pencil mic zit de capsule gewoon kaal aan het uiteinde van de buis. Er is dan minder om tegenaan te kaatsen voor het geluid en dus minder kleuring.

Voor stereo telt dit dubbel. Een X/Y- of ORTF-paar staat of valt met voorspelbaar off-axis-gedrag, en twee potloden zet je veel makkelijker in zo’n opstelling dan twee dikke cilinders op een stereobar. Een orkest of klassieke gitaar in stereo is daarom meestal een klus voor kleinmembranen. (Dat het lichtere membraan in theorie ook sneller op transiënten reageert, klopt, maar dat verschil is zo klein dat je er je keuze niet op moet baseren.)

» Microfoon-opstellingen bij stereo-opnames
» Drums opnemen
» Singer-songwriter opnemen
» Koor opnemen

Geen reacties

Nog geen reacties...

Laat een reactie achter